Artikel 6.1 van het Arbobesluit heet ‘Temperatuur’ en bevat geen enkel getal. Het eerste lid bepaalt dat de temperatuur op de arbeidsplaats, rekening houdend met de aard van het werk en de lichamelijke belasting die het meebrengt, ‘geen schade aan de gezondheid van de werknemers’ veroorzaakt. Het tweede lid regelt wat er moet gebeuren als die schade toch kan ontstaan: persoonlijke beschermingsmiddelen, en als die niet volstaan, korter werken of het werk afwisselen met een verblijf op een plek waar de temperatuur die schade niet veroorzaakt. De Nederlandse regel kijkt dus naar schade. Tussen een temperatuur die niemand ziek maakt en een temperatuur waarin iedereen zich prettig voelt, ligt een brede strook. Daar hangt het vest over de stoelleuning.
In 2015 zetten twee onderzoekers van het Maastricht University Medical Center+, Boris Kingma en Wouter van Marken Lichtenbelt, een vraagteken bij een van de uitgangswaarden van de internationale voorschriften voor het binnenklimaat. In Nature Climate Change schreven zij dat de voorschriften voor het binnenklimaat steunen op een empirisch comfortmodel uit de jaren zestig, en dat de standaardwaarden voor een van de hoofdvariabelen van dat model, de stofwisseling, gebaseerd zijn op een gemiddelde man. Bij vrouwen kunnen die waarden de stofwisseling tot 35% overschatten. Gebouwen kunnen daardoor, zo concluderen ze, van nature weinig energie-efficiënt zijn in het comfort dat ze vrouwen bieden. Bjarne Olesen, van de Technical University of Denmark, reageerde nog datzelfde jaar in het REHVA Journal: het experiment ging over zestien vrouwen bij zittend werk, en om te kunnen vergelijken hadden er zestien mannen bij dezelfde activiteit naast moeten staan.
Mijn lezing, gesteund door de studies hieronder: op het getal van de thermostaat liggen mannen en vrouwen dicht bij elkaar, maar wat het ieder kost wanneer de ruimte van dat getal afwijkt, verschilt. Een deel van die kou wordt daarom bij de indeling bepaald: welke werkplek naast een glazen gevel of onder een luchtrooster uitkomt, en of wie daar zit iets aan het eigen klimaat kan veranderen.
Mannen en vrouwen kiezen bijna dezelfde temperatuur
Olesen herinnert eraan dat de internationale comfortnormen, waaronder ISO 7730, op dezelfde basisexperimenten zijn gebouwd. Daarin zaten mannen en vrouwen in gelijke aantallen, in dezelfde lichte kleding en bij dezelfde zittende activiteit. In de studies van Nevins uit 1966 en van Fanger, samen genomen, kozen 488 mannen gemiddeld 25,4 °C en 488 vrouwen 25,8 °C. Bij Fanger en Langkilde, in 1975, was het 25,0 tegen 25,1 °C. Dat vrouwen het ’s zomers in gekoelde kantoren vaak kouder kunnen hebben, schrijft Olesen in de meeste gevallen toe aan de kleding: vrouwen passen hun kleding beter aan de zomer aan, mannen blijven in pak en stropdas.
In Finland zette Sami Karjalainen, van het onderzoeksinstituut VTT, in 2012 in Indoor Air de studies over thermisch comfort en geslacht op een rij. In de meeste studies vond hij geen significant verschil in de neutrale temperatuur, het punt waarop men het warm noch koud heeft. Toch stelt duidelijk meer dan de helft van de laboratorium- en veldstudies vast dat vrouwen in dezelfde thermische omgeving meer ontevredenheid uiten dan mannen, en in zijn meta-analyse ligt de kans dat vrouwen die ontevredenheid uiten 1,74 keer zo hoog als bij mannen. Vrouwen zijn volgens Karjalainen gevoeliger dan mannen voor een afwijking van de optimale temperatuur, vooral als het koeler wordt, en hebben gemiddeld meer behoefte om de temperatuur zelf te regelen en zich aan te passen.
Arboportaal, de website van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zegt op zijn pagina over werken in de kou iets wat daarbij aansluit, al gaat die pagina over buitenwerk, tochtige onverwarmde loodsen en koelhuizen: kou leidt vaak tot koude vingers, handen en voeten, en ‘vrouwen zijn hier vaak gevoeliger voor dan mannen’.
Wat het Arbobesluit en ISO 7730 over de werkplek zeggen
Het Arbobesluit komt dichter bij de werkplek in de artikelen na 6.1. Artikel 6.2 vraagt dat luchtverversingsinstallaties zo functioneren ‘dat werknemers niet aan hinderlijke tocht worden blootgesteld’. Artikel 6.4 bepaalt dat in een besloten ruimte waar gewerkt wordt ‘rechtstreeks invallend zonlicht’ kan worden geweerd. Tocht en zon staan dus wel in het Arbobesluit, alleen in andere artikelen dan het artikel over temperatuur.
Getallen geeft Arboportaal alleen voor de warme kant van het jaar, met de uitdrukkelijke vermelding dat het om een indicatie gaat en niet om wettelijke grenswaarden. Voor kantoren is ’s zomers een temperatuur tussen 23 en 26 °C ideaal; daarboven is er sprake van extra lichamelijke belasting en hoort men na te denken over maatregelen, en voor licht fysiek kantoorwerk geldt een maximum van 28 °C. Die indicatie staat op de pagina over de vraag wanneer het te warm is om te werken. De koude maanden, waar het vest thuishoort, komen op die pagina niet aan bod.
Waar het ongemak precies zit, beschrijft de techniek. Naast een oordeel over het comfort van het hele lichaam onderscheidt ISO 7730 vier oorzaken van plaatselijk ongemak: tocht, het temperatuurverschil tussen hoofd en enkels, een te warme of te koude vloer, en stralingsasymmetrie. Dat laatste is het onevenwicht tussen de warmte die het lichaam aan de ene en aan de andere kant uitwisselt met de omringende oppervlakken.
Vier plekken om op de plattegrond te omcirkelen
Op de thermostaat staat één getal voor de hele verdieping; in de ontevredenheid staan adressen. Vier daarvan zijn op een plattegrond te vinden.
Naast de glazen gevel. In de winter wisselt wie hier zit aan één kant warmte uit met een koud oppervlak: stralingsasymmetrie. ’s Zomers kan dezelfde plek in de zon staan, en dan geldt artikel 6.4. De vraag bij de indeling is of de werkplek naar binnen kan schuiven, of dat een kast of scherm tussen persoon en glas komt.
Onder het luchtrooster. Tocht, in ISO 7730 en in artikel 6.2. De vraag is of de werkplek uit de luchtstroom kan.
Boven een koude vloer. Onder een bureau blijven de voeten op hun plek staan, en de norm noemt de vloer als aparte oorzaak.
Waar hoofd en enkels niet hetzelfde voelen. De vierde oorzaak van ISO 7730. Een vraag voor de installateur: op welke hoogte wordt er gemeten?
Wat de temperatuur met het werk doet
Of temperatuur ook het werk zelf raakt, onderzochten Tom Chang en Agne Kajackaite in 2019. Zij lieten in Berlijn 543 studenten werken in een laboratorium waarvan de temperatuur per sessie verschilde, van ongeveer 16 tot 33 °C. Bij warmere temperaturen presteerden vrouwen beter op rekenopgaven en een taaltaak, terwijl bij mannen het omgekeerde te zien was, al was hun daling klein en statistisch niet significant. Per graad Celsius erbij beantwoordden vrouwen 1,76% meer rekenvragen goed. De onderzoekers zien daarin deels meer inzet, omdat de vrouwen meer antwoorden inleverden zonder meer fouten te maken. Het ging om sessies van gemiddeld een uur, met studenten, en over de temperatuur van de hele ruimte; op een test van cognitieve reflectie had de temperatuur geen effect. Over de plek van een afzonderlijk bureau doet het dus geen uitspraak.
Plekken waar men zelf kiest
Zoals ik het lees, volgt uit Karjalainen een praktische regel voor wie inricht: als de gevoeligste mensen het meest baat hebben bij eigen regeling, moet de indeling die regeling mogelijk maken. Wie bench bureaus voor een verdieping uitkiest, legt ze het best meteen naast een plattegrond waarop de vier plekken hierboven staan ingetekend. In een werkplek & kantoortuin kunnen die plekken met opzet verschillen: werkplekken verder van de gevel en buiten de luchtstroom van de roosters, en andere dichter bij het raam voor wie het liefst fris werkt. Wie zelf een plek kiest, regelt zo een deel van zijn klimaat zelf.
Wat ik ervan verwacht, al meet geen van deze studies het: dat de thermostaat tussen collega’s geen onderhandelingsstuk meer is.
Artikel 6.1 legt de ondergrens bij de gezondheid; het vest over de stoelleuning is de maat voor alles wat daarboven komt.
Snelle antwoorden
Waarom hebben vrouwen het op kantoor koud?
In de meeste studies verschillen mannen en vrouwen niet significant in neutrale temperatuur, maar vrouwen zijn gevoeliger voor afwijkingen, vooral naar het koele toe, en de kans dat zij ontevredenheid over het klimaat uiten is 1,74 keer zo hoog als bij mannen (Karjalainen, Indoor Air, 2012). Kingma en van Marken Lichtenbelt (Maastricht University Medical Center+, Nature Climate Change, 2015) wijzen erop dat de standaardwaarden voor de stofwisseling, gebaseerd op een gemiddelde man, die van vrouwen tot 35% kunnen overschatten.
Welke temperatuur schrijft de Nederlandse wet voor op kantoor?
Geen specifiek getal: volgens Arboportaal noemt de wet geen specifieke temperaturen. Artikel 6.1 van het Arbobesluit bepaalt dat de temperatuur op de arbeidsplaats geen schade aan de gezondheid van werknemers veroorzaakt, rekening houdend met de aard van het werk. Arboportaal geeft voor kantoren in de zomer een indicatie, geen wettelijke grenswaarde: ideaal tussen 23 en 26 °C, en voor licht fysiek kantoorwerk een maximum van 28 °C.
Zijn comfortnormen zoals ISO 7730 op mannen gebaseerd?
Volgens Bjarne Olesen (REHVA Journal, 2015) steunen ze op experimenten met evenveel mannen als vrouwen, in dezelfde kleding en bij dezelfde activiteit, met gemiddelde voorkeuren van 25,4 en 25,8 °C. De standaardwaarden voor de stofwisseling in het rekenmodel gaan volgens Kingma en van Marken Lichtenbelt wel uit van een gemiddelde man.
Hoe plaatst u bureaus zodat minder mensen het koud hebben?
Door vóór de toewijzing van de werkplekken op de plattegrond de vier oorzaken van plaatselijk ongemak uit ISO 7730 te zoeken: tocht, temperatuurverschil tussen hoofd en enkels, een koude vloer en stralingsasymmetrie bij glas. Werkplekken op verschillende afstand van gevel en roosters laten mensen zelf kiezen waar ze zitten. Het Arbobesluit vraagt daarnaast dat luchtverversing werknemers niet aan hinderlijke tocht blootstelt.